iPoetry blog
Bernlefs ijsvogel
Gisteravond was Bernlef bij iPoetry Live in Moira. Hij droeg voornamelijk gedichten voor uit Dwaalwegen, zijn laatste bundel, maar ook uit eerder werk. Er was een gedicht over een ijsvogel. Een subtiel gedicht, vrij realistisch ook en het beviel me wel. Ik kende niet veel poëzie van Bernlef. Wat verder vooral opviel aan zijn optreden waren de onderdelen van administratieve aard; de oude bard liet geregeld een lange stilte vallen wanneer hij achter de microfoon stond te bladeren door zijn verzameld werk, op zoek naar dat ene gedicht dat hem voor ogen stond. 'Had je het maar beter moeten voorbereiden, jongen,' zei hij dan. Of, wanneer hij al bladerend gedicht na gedicht afwees: 'Nu moet u niet denken dat ik het allemaal shit vind.' Z'n optreden kreeg daardoor een gespannen lading die je als toehoorder in de greep hield. Hij bepaalde schijnbaar intuïtief welke gedichten hij voorlas, daar, in het spotlicht, op het podium, voor het publiek. 'Laatste gedicht… vindt u?' vroeg hij aarzelend en toen er afkeurende geluiden opklonken en het herkenbare geschuifel achterwege bleef, ging hij door. Bladerend, wegend, zoekend naar het gedicht dat het best zou volgen op het vorige. Het wikken en wegen, die bedachtzame doelgerichtheid, het niet bang zijn dat het publiek zich gaat vervelen en de stilte van honderd afwachtende toeschouwers tijdens zo'n bladersessie koesteren om de juiste aandacht te krijgen voor het gedicht dat volgde…
In de trein naar huis begreep ik dat het ook anders kon. Ter hoogte van Amsterdam Bijlmer leek het alsof we bezet gebied binnenreden. Een massa kolkende kelen kwam dichterbij, er was een verblindend geschitter van sterretjes en juwelen op mensen in witte jasjes en zilveren broeken; er stonden minsten tweeduizend mensen op de perrons te wachten. 'Het is stil…aan de overkant,' zongen ze. Geeft niets, je mag best een mopje zingen, ook om 1 uur 's nachts, maar ze kwamen wel met z'n allen in mijn coupé zitten. Op de smalle driezitsbank waarop ik zat, kwamen vier vrij gezette meisjes zitten. Alsof ze mij over het hoofd hadden gezien. De grootste lol. De een donderde bovenop de ander, krijsend in elkaars oren: 'Ik heb er de kracht niet voor!' Ze droegen opzichtige kettingen met grote hartvormige hangers, waarop in nepdiamantjes 'Toppers' stond geschreven. Er waren ook jongens bij. Ik wist niet dat het bestond; mannen die op hun vrije avond in een wit-zilveren pak met opzichtige kettingen die door de firma Kruidvat verkocht worden, een dansende nicht met een haarimplantaat gaan imiteren. 'Ik heb er de kracht niet voor', en dan heel nichterig uitgesproken. Vroeger, in het land van Rita Verdonk, werd je daar nog gewoon voor in elkaar geslagen. Iemand liet duidelijk hoorbaar een scheet. Er volgden overtrokken lachsalvo's, waarna applaus en gezamenlijk gebrul: 'Het is stil aan de overkant.' Ik begreep dat ik in m'n eentje de overkant was. Samen met Bernlef misschien. Ik dacht weemoedig terug aan zijn geblader en zijn ijsvogel.



