Charivarius Trenité

1870 - 1946

Charivarius (Utrecht, 1870 - Haarlem, 1946) is het pseudoniem van Gerard Nolst Trenité. Hij was een Nederlands letterkundige (berijmd proza, toneel), anglist en taalcriticus. Onder zijn eigen naam was hij auteur van een aantal schoolboeken.

Charivarius was de zoon van een Utrechtse predikant. Na het gymnasium studeerde hij klassieke talen aan de Universiteit van Utrecht. Het studeren verliep echter niet geheel soepel: Charivarius hield zich liever bezig met toneelspelen en het maken van cabaretliedjes dan achter de boeken te zitten. Hij stapte over op rechten, na het kandidaatsexamen gevolgd door staatswetenschappen.

In 1894 brak hij deze studie af om in San Francisco huisleraar te worden. Twee jaar later keerde hij via Japan en Nederlands-Indië terug naar Nederland en begon hij opnieuw aan de studie staatswetenschappen, waarin hij in 1901 tot doctor promoveerde.

Van 1900 tot 1918 fungeerde hij als leraar Engels en Staatsinrichting aan het Middelbaar Onderwijs te Haarlem. Uit deze periode dateren een aantal schoolboeken van hem. Sinds 1877 schreef Charivarius voor het weekblad De Groene Amsterdammer. Hij schreef onder het pseudoniem ‘Charivarius’ dat waarschijnlijk ontleend is aan het Franse satirische tijdschrift Le Charivari (1832-1937). Daarnaast schreef Trenité boeken over correct taalgebruik.

Trenité had ook belangstelling voor toneel. In 1912 richtte hij samen met de jongensboekenschrijver J.B. Schuil de Haarlemsche Toneel Club op, die door hem geschreven of bewerkte stukken speelde. Hij componeerde er ook wel eens bijpassende muziek bij.

Trenité had een broze gezondheid en moest als leraar vervroegd afhaken. Hij overleed op 76-jarige leeftijd, een jaar na de Bevrijding.

 

 

Fragment uit 'I. Pleonasmen' uit Is dat goed Nederlands? (1940)

Een pleonasme is een uitdrukking die een of meer overbodige woorden bevat. Een begrip wordt dubbel uitgedrukt, maar doordat de woorden verschillen, merken de slordige schrijver en lezer het niet. Bijvoorbeeld nutteloze verspilling. Verspilling is nutteloze uitgaaf, dus nutteloze verspilling is nutteloze nutteloze uitgaaf.

Het is de meest voorkomende fout. De krant zou aanmerkelijk kortere en frissere lectuur opleveren als al de overtollige woorden geweerd werden; zij zijn op bijna iedere bladzijde te vinden. De schrijver van pleonasmen gelijkt den dronkaard: beiden beogen versterking en verlevendiging en bereiken integendeel verslapping en versuffing. Het pleonasme maakt de stijl overladen en dwaas, als twee klokken in een kamer. Men leest er gewoonlijk over heen: men is aan de bedwelming gewend.

Ik heb dit onderwerp zeer uitvoerig behandeld, niet om den lezer bijzondere afschuw in te boezemen, want die krijgt hij wel door minder voorbeelden, noch om hem te vermaken, want dat doel is aan mijn boekje vreemd, maar omdat de studie dezer fout zeer bevorderlijk kan zijn tot het verkrijgen van goede stijl in het algemeen. Immers de oorzaak van alle kwaad op dit gebied is het zorgeloos hanteren van het materiaal, de woorden; de slordige schrijver geeft zich geen rekenschap van hun juiste betekenis. Nu leert men in de strijd tegen het pleonasme elk woord terdege te beschouwen en te ontleden voordat men tot het toevoegen van een bepaling, een uitlegging besluit; blijkt het woord de bepaling in zichzelf te bevatten, dan onthoudt men zich van herhaling met een ander woord.
Invoer uit het buitenland. Komen de goederen van de verste streken binnen het rijk gelegen, ook van de overzeese gewesten, dan worden zij niet ingevoerd, maar aangevoerd. Invoer is aanvoer uit het buitenland. Derhalve is invoer uit het buitenland een pleonasme.

Laatst gewijzigd op 22 juni 2012 door Redactie iPoetry

Opnames

Bibliografie

De Storm (1912)
Charivari (1913)
Nieuwe groene Charivaria. Deel 2 (1915)
Ruizerijmen (1922)
Het scheepsjournaal van de Ark door Noach (Amsterdam: Van Kampen, 1925)
Don Quichotte (1925)
Onze evendieren (Amsterdam: Uitgeverij Holkema & Warenhof, 1926)
Herscheppingen, vrij naar Ovidius (Haarlem: Tjeenk Willink, 1926)
De geschiedenis des vaderlands tot den dood van Karel V. (Haarlem: Tjeenk Willink, 1927)
De geschiedenis des vaderlands (Haarlem: Tjeenk Willink, 1929)
Klusjes en kliekjes naar Schopenhauer (Haarlem: Tjeenk Willink, 1930)
Godengesprekken naar Lucianus (Haarlem: Tjeenk Willink, 1932)
Het einde van Socrates (Haarlem: Tjeenk Willink, 1934)
Odysseus (Haarlem: Tjeenk Willink, 1935)
Is dat goed Nederlands? (1940)
De slimheidskampioen (Amsterdam: Uitgeverij de Spieghel, 1942)

Links