K. Michel
K. Michel (1958), pseudoniem voor Michael Maria Kuijpers, maakte in 1988 deel uit van de Maximalen, die zich met een door Joost Zwagerman geschreven manifest en een bloemlezing afzetten tegen de kale, 'bloedeloze' 'verkouwenaarde' poëzie die op dat moment (volgens hen) de dwingende maatstaf was voor poëzie in het Nederlandse taalgebied. De dichter publiceerde zowel poëzie als prozaïstisch werk en vertaalde onder andere poëzie van Octavio Paz en Michael Ondaatje. Samen met Arjen Duinker begon hij zijn literaire loopbaan als redacteur van de publicatiereeks 'Aap Noot Mies'. Zijn verhalenbundel 'Tingeling Totus' (1992) werd door het Onafhankelijk Toneel in 1999 bewerkt tot een toneelvoorstelling. Voor zijn werk ontving hij in 1995 de Herman Gorter Prijs en in 2000 zowel de Jan Campert-Prijs en de VSB Poëzieprijs. In datzelfde jaar werd hij eveneens bestuurslid van Poetry International.
De gedichten van de in Amsterdam woonachtige K. Michel geven blijk van een natuurlijke, haast naïeve manier van waarnemen. Met een helder taalgebruik weet hij in die gedichten vaak onverwachte combinaties te maken tussen die waarnemingen. Daardoor worden het alledaagse en het bijzondere op onvoorziene wijze op elkaar betrokken. De filosofische toon van zijn gedichten voorkomt in het geheel niet de lichte, speelse toets die eveneens in zijn werk aanwezig is. Zijn werk is daarbij bepaald niet van (een soms droge) humor gespeend. Een goed voorbeeld is het gedicht 'Inblazing' uit de bundel Waterstudies 1999), waarvan hieronder het begin staat:
Als iemand die van je houdt niet van je houdt
maar je wel op wil eten terwijl je geen appel bent
noch de wortel uit drie, dan mag nee niet
en kan ja niet
De dichter opent met een paradox die over de affectie van iemand voor 'jouzelf' gaat. In de twee regels daaronder speelt de dichter een verticaal woordspel, waarbij een veelgehoorde platitude 'ik kan je wel opeten', die een toespeling is op het (nog te komen) bedrijven van de liefde, wordt betrokken op (1) het daadwerkelijke eten van een stuk fruit en (2) een wiskundige formule. Daarop volgt het dilemma van de ik-persoon. Opvallend bij dit gedicht is de mate waarin het doorwrocht is.
Dat blijkt uit de keuze voor het stuk fruit (de appel als oogappel; als een aanduiding voor een lichaamstype en als de veelgedachte verboden vrucht uit het bijbelboek Genesis) en de wiskundige formule van de wortel (- net als de appel - als een organisch object en als fallus) uit drie (een mogelijke toespeling op een driehoeksverhouding).
K. Michels eerste bundels, Ja, naakt als stenen: gedichten (1989) en Boem de nacht: gedichten (1994) zijn vrij uitbundig van toon en sluiten daarbij goed aan bij het gedachtegoed van de Maximalen; het is een poëzie die 'krachtdadig en vol lawaai, ronkend en licht vandalistisch' kan worden genoemd. In K. Michels latere bundels treedt het beschouwende karakter van de gedichten meer op de voorgrond.
Foto: Roeland Fossen



